September 2017: met veel goesting en een grote drive begin ik aan een nieuw schooljaar. Sinds mijn diagnose is het mij nog nooit gelukt om het een volledig schooljaar uit te zingen. Elk jaar heb ik minstens één opstoot gehad. En toch start ik al 6 jaar met hernieuwde moed, hopend op een mirakel. Misschien lukt het dit schooljaar wel? 16 lesuren, ofte een doenbare 71%, een goede uurrooster, een toffe opdracht, fijne collega’s: alle ingrediënten voor een geslaagd jaar zijn aanwezig.

September ging hard: lessen maken, leerlingen leren kennen, toetsen verbeteren, vergaderingen bijwonen: het normale liedje. Maar het liep goed. Ik zat vol energie en had ook nog een klein beetje over toen ik thuis kwam. Tijdens de weekends probeerde ik mij zo rustig mogelijk te houden (met een heerlijke uitbarsting op het trouwfeest van mijn nichtje als uitzondering – ik heb er geen spijt van, ik moet mijn momenten nemen wanneer ze zich aandienen). In oktober nog een tandje bij: leerlingenbesprekingen, rapporten schrijven, alle kleine en grote zaken die komen kijken bij het leerkracht zijn.

Toen ging het mis. Ik gaf alles wat ik had aan mijn leerlingen, maar er bleef niks meer over voor mijn man en kinderen. Laat staan voor familie, vrienden of de yogales. Ik probeerde mezelf dan wat in te houden op school. Een beetje op de rem gaan staan. Wat vaker gaan zitten in plaats van door de klas te cruisen, wat minder gesticuleren, niet altijd zo overdreven enthousiast zijn. Wat blijkt? Ik kan niet op een lager pitje lesgeven. Ik kan me niet ‘minder aantrekken’ van de leerlingen. Daarin bestaat voor mij geen middenweg.

Het schooljaar is 6 weken oud en ik voel me afglijden. Je ziet het niet aan mij, je hoort het niet van mij, maar het kost me elke dag meer en meer moeite om me op te peppen. Rond deze tijd van het jaar zie ik op school nog collega’s die moe zijn, voor wie het zwaar begint te worden en die snakken naar een adempauze. Dus ik denk bij mezelf: “Annelies, het is normaal, iedereen heeft het zwaar.” Maar wanneer het voor iedereen zwaar wordt, wordt het voor mij té zwaar. Lieve collega’s, ik ben jullie kanarie in de kolenmijn.

Bovendien kreeg ik nieuwe klachten: zenuwpijnen in mijn linkerbeen. Bij thuiskomst van school moest ik in de zetel of in bed gaan liggen, van daaruit het hoognodige doen om dan de volgende dag terug te kunnen lesgeven. In het weekend hetzelfde: enkel rusten, slapen en wat werken voor school. Een uitstapje met de kinderen zat er niet in. Ik voelde wel aan dat dit leven niet het leven is zoals het bedoeld is, maar ik bleef toch naar school gaan. Omdat ik het zo graag doe. Omdat de leerlingen op me rekenen en me tegenstrijdig genoeg ook energie géven. Met mijn vak kom ik 4 uur per week in de klas, dus ik heb al snel een band met de leerlingen. Ik wil hen niet in de steek laten.

Ik stop pas wanneer er meerdere mensen me zeggen dat ik moet stoppen. Mijn man. Mijn familie. Mijn collega’s. Mijn huisdokter. Mijn neuroloog. En dan stop ik nog met veel moeite. Want ook al riep mijn lichaam luid en duidelijk dat het genoeg was, mijn karakter wilde er niet van weten. Het voelt als de handdoek in de ring gooien, als de zoveelste keer opgeven, alsof ik telkens teruggefloten word wanneer ik goed op dreef ben.

En dan verdwijn ik van de ene op de andere dag van het toneel. Ik hoop maar dat mijn leerlingen geen verlatingsangst krijgen.

x

Share: