Ik had voor de zekerheid de kalender gecheckt. Of er toch geen koninklijke, gewestelijke of provinciale feestdag gevierd wordt op 30 november. Want een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen. Eén keer voor een gesloten deur staan is frustrerend genoeg. Ik had geluk. Geen feestdagen op 30 november. Voor de meerderheid van de mensen was deze 30 november een doodnormale donderdag. Maar voor mij was het deze donderdag D-day. Mijn date met Medex. Een hoogte- of dieptepunt in mijn administratie frustratie.

Ik was zenuwachtig. Mijn vorige ontmoeting in september 2014 was geen fijne ervaring geweest, om het zacht uit te drukken. Ook al weet ik sindsdien dat het ‘onderzoek’ eigenlijk alleen maar een gesprek is en geen lichamelijk onderzoek, toch heb ik het gevoel dat ik op de een of andere manier op de rooster gelegd zal worden. Alsof ik een examen moet gaan doen over mezelf. Ik heb dus mijn medische geschiedenis maar vanbuiten geblokt. Je zou denken dat een mens zijn eigen verleden wel kent, maar ik kan u verzekeren: het is niet simpel om het chronologisch overzicht in je hoofd te bewaren. Op de duur lopen alle opstoten, baxters en ziekenhuisopnames door elkaar. Alles wordt één grote waas. In De dikke blauwe kaft vond ik nog een overzicht van vorige keer. Dat heb ik aangevuld en in mijn hoofd geprent. Op de trein overliep ik mijn les. Tante M. zag dat het goed was.

Na een vlotte treinreis en een korte wachttijd was het om klokslag 15u aan mij. Zo stond het op mijn brief en zo geschiedde. Wij waren daar de enige mensen in de wachtzaal. Met zwetende handen en met het hart in de keel nam ik plaats aan de examentafel. Hier zou beslist worden of ik werkgeschikt ben of niet. Of ik nog iets waard ben voor de maatschappij of niet. Hier wordt er beslist over mijn toekomst, die van mijn man en die van mijn kinderen. Je zou voor minder zweten.

De geneesheer neemt even de tijd om mijn medisch verslag te lezen. Ik ben iets te hulpvaardig met het aanduiden van enkele zaken, waarop ik prompt word aangemaand om snel te gaan zitten. Ik voel me lichtelijk berispt, maar probeer mijn coolness te bewaren. Tante M zit naast me, haar aanwezigheid geeft me kracht.

Het examen begint. Eerste vraag: ‘wat voelt u precies bij zo’n opstoot?’ Daar ga ik, met mijn vage omschrijvingen van brandende tintelingen, verschroeiende zenuwpijnen en vreselijke uitgeputheid. Ik heb dit al talloze keren proberen uitleggen, maar zoals altijd heb ik het gevoel dat woorden tekortschieten. ‘Vermoeidheid komt inderdaad vaak voor bij MS-patiënten’, zegt de examinator. Oef. Ik voel me begrepen, dit gaat de goede kant op. ‘Wat doet u van werk?’ Makkelijk. ‘Leerkracht.’ Dat was de tweede en meteen ook de laatste vraag. Hij vroeg niet eens naar de jaartallen of de ingewikkelde namen van mijn medicamenten. Bummer.

Voor de geneesheer is mijn situatie duidelijk. Ik heb een ernstige en langdurige aandoening en ik krijg een jaar uitstel. Dat betekent dat mijn ziekteverlof voor een jaar wordt verlengd. Dat betekent ook dat we geen financiële problemen zullen hebben het komende jaar. Een jaar administratieve gemoedsrust. Er valt 100 kilo van mijn schouders. Ik voel me opgelucht, bijna euforisch. Dit is waarop ik had gehoopt. Mijn dag kan niet meer stuk.

Maar dat was buiten de geneesheer gerekend. Alsof hij mijn opluchting voelde en mij vooral geen valse hoop wilde geven, legde hij mij voor de zekerheid het principe van tewerkstelling nog eens uit. ‘De meeste werkgevers hebben graag stabiele werknemers in dienst. Als er een opeenvolging is van lange afwezigheden, is die werknemer niet stabiel en wordt die na een tijd arbeidsongeschikt verklaard. Hoe zeg ik dit vriendelijk, mevrouw Van Oost? MS is een onvoorspelbare ziekte. MS-patiënten zijn dan ook onvoorspelbare en dus onstabiele werknemers. Uiteindelijk worden de meesten volledig arbeidsongeschikt verklaard.’ Slik. Tranen inhouden. Laat u niet kennen.

Rustig legde ik uit dat ik juist daarom al mijn hoop stel in de stamceltherapie. Dat ik voor extreme middelen kies, juist om een stabiele vrouw en werknemer te worden. Dat mijn vooruitzichten goed zijn, dat ik mik op enkele opstootvrije jaren. Ik dacht ook nog ‘Is niet iedereen in se onvoorspelbaar?’, maar besloot gelukkig om die wijsheid voor mezelf te houden. Hij hoorde het allemaal aan, maar liet zich schamper uit over mijn plannen. Ik voelde de moed in mijn schoenen zakken. Dat nog nooit iemand van MS genezen is, zei hij. En dat die therapie nog maar in zijn kinderschoenen staat. En dat wonderen niet bestaan, mevrouw Van Oost.

Tante M. en ik liepen ondanks ons wrang gevoel met geheven hoofd het kantoor uit en de Starbucks in. We trakteerden onszelf op een hartverwarmende chocomelk. In de trein zagen we het landschap voorbijzoeven terwijl de sneeuw gezellig naar beneden dwarrelde. Echt Sinterklaasweer. En toen dacht ik bij mezelf: Misschien heeft die man het bij het verkeerde eind. Misschien ben ik wel de eerste persoon ter wereld die geneest van MS. Waarom niet? Want wat mij betreft, zijn de wonderen de wereld nog niet uit.

x

Share: