Het leven laat zich niet plannen. Dat weet ik wel zeker na vandaag.

Fris en monter ben ik deze ochtend om half 7 thuis vertrokken. Ik was enthousiast om mijn behandelende hematoloog te ontmoeten. Ik was ook enthousiast dat ik na enkele woelige weken eindelijk vastberaden was om aan de therapie te beginnen. Het eerste donorconsult is de officiële opening van de behandeling. Ik was er klaar voor. Onderweg heb ik tante L. opgepikt. Zij had aangeboden om me te begeleiden op mijn ziekenhuisexpeditie. De dag begon onder een goed gesternte. Geen file! We hadden nog tijd om een vies plastic koffietje weg te werken vooraleer we ons naar de catacomben van het UZA begaven. Want eerst stond er nog een MRI van mijn borsten op het programma. Gewoon, een controle-onderzoek naar aanleiding van een mammografie die ik in juni had.

En daar begon de miserie. Ik vulde braaf het formulier in (ik ben nog steeds niet gegroeid, heb nog steeds geen pacemaker) en ik wachtte mijn beurt af. Ondertussen bladerden tante L. en ik door de Flow, kwestie van ons wat onder te dompelen in prachtig vormgegeven oppervlakkigheid. Mijn naam werd afgeroepen en ik vertrok naar de kleedkamer. ‘U bent hier voor een MRI van de hersenen, mevrouw Van Oost.’ Geen vraag, maar een mededeling. ‘Eeeeh, nee, het is voor mijn borsten, die van mijn hersenen is nog maar pas geleden gemaakt.’ ‘Ik heb hier nochtans een voorschrift waarop staat dat het voor de hersenen is.’ ‘En ik heb in mijn handtas een voorschrift dat het voor de borsten is.’ ‘In dat geval, mevrouw Van Oost, moet u zich even opnieuw aanmelden aan de balie en plaatsnemen in de wachtzaal.’ We dropen terug af naar ons startpunt, alwaar mij nogal onvriendelijk werd verweten dat de doorverwijzende arts zijn briefje niet goed had ingevuld. Ik wist niet dat ik daar verantwoordelijk voor was.

Geduld is een schone deugd. Na even wachten, werd ik terug naar de kleedkamer geroepen. ‘Alles uit, behalve kousen en onderbroek, en een ziekenhuisschortje mag je ook aandoen, maar dan achterstevoren. Met de opening naar voor dus.’ Ik was blij met deze verduidelijking. De borstensector is namelijk nieuw voor mij. Nadat ik geprikt was voor de contrastvloeistof, mocht ik plaatsnemen in de spaceshuttle. Voor de gelegenheid moest ik deze keer op een roze matras (think pink!) gaan liggen, op mijn buik welteverstaan. Mijn borsten kregen vrij spel in daarvoor voorziene uitsparingen. Aldus flodderde ik de tunnel in. Het beperkte zicht en het harde geluid went niet. Ik was redelijk angstig, maar ik heb mij zo stil als een muis gehouden. Zelfs toen er ijskoud contrastvloeistof werd ingespoten, verroerde ik geen vin. Als MRI-expert weet ik dat dat het begin van het einde is. En inderdaad, al gauw was het onderzoek gedaan en mocht ik me terug gaan aankleden. Afgezien van de rode strepen die het masker hadden achtergelaten op mijn gezicht en de blauwe plek van de prik op mijn hand, was er aan mij niks meer te zien van het halfuurtje tunnelfun.

Tante L. en ik installeerden ons in de cafetaria om de tijd te doden tot we bij de hematoloog op visite gingen. Die ontmoeting stond gepland om 10u. We keken nog wat verder in de Flow, deelden een koffiekoek en overliepen mijn vragen nog eens. Toen kwam ook mijn mama eraan. Zij wilt geen woord missen van wat de dokters over mij te zeggen hebben, en ze heeft gelijk. Ik voelde me gesterkt door die twee sterke vrouwen. Flink op tijd zaten we in de drukke wachtkamer van de hematologie en oncologie. Geen kerstsfeer daar. Lachende gezichten waren ook in de minderheid. Ik pleit zelf schuldig. Dat van mijn stond in opperste concentratiemodus. Als je blij wilt worden, moet je vooral niet route 105 in het UZA volgen.

Eerst werd ik in een bloedafnamelokaaltje geroepen. Blijkbaar hadden ze mijn bloed nodig. Wist ik niet. ‘Oh, jammer dat ze het naaldje niet hebben laten zitten bij de MRI, nu moet ik je opnieuw prikken. Vind je dat erg?’ ‘Nee, oprecht niet, dat is het minste.’ Opnieuw een prik, in de pols nu. Mijn bloed druppelde heel traag uit mijn ader. Op hetzelfde tempo als mijn bloed, sijpelde het besef bij me binnen dat er 10 tubes gevuld moesten worden. Na tube 4 was mijn ader opgedroogd, dus moest ik voor de derde keer die dag geprikt worden. Mijn elleboogplooien zijn even verboden terrein met het oog op de therapie, dus werd het de andere hand. Uiteindelijk was de verpleegster tevreden. Ze staakte het tappen en gaf ons mee met de hematoloog, die ons al was komen zoeken in het bloedkotje.

Oef. Ter plaatse. Eindelijk, het eerste donorscunsult. Shall we begin? ‘U heeft al informatie gekregen, het nodige bloed is al afgenomen, heeft u voor ik start alvast vragen?’ Dat moeten ze mij geen twee keer vragen. Ijverig haalde ik mijn lijstje boven. Het vragenuurtje kon beginnen. Eerste vraag: ‘Heeft u de uitslag al van de scan van deze ochtend?’ Ik vroeg het argeloos. Terloops, als het ware als inleiding. Er geen rekening mee houdend dat hier iets op te zien zou zijn.

En toen stond mijn wereld stil. De hematoloog, die benadrukte dat zij geen borstmens is, las op het procol dat er ‘een opvallende asymmetrische aangekleurde zone’ was in mijn linkerborst. Op 12u, recht boven de tepel. Stilte. Knipper met ogen. Gaat dit over mij? Gebeurt dit echt? Ik zit hier voor de stamceltherapie, niet voor mijn borsten. Dat was toch maar een onderzoekje-voor-alle-zekerheid, een onderzoek om dingen uit te sluiten? Dit was toch geen onderzoek waar ik van wakker had moeten liggen? Gewoon pro forma, dacht ik. Ik dacht dus verkeerd.

Nu, het is niet gezegd dat dit per se iets slechts is. Aan de andere kant: er is ook niet gezegd dat dit iets goeds is. Ik was een beetje te hard van stapel gelopen. Ik dacht dat na deze zware weken de weg nu open lag naar de behandeling. Ik kon me eindelijk een voorstelling maken van de lijdensweg die ik de komende maanden onderga. Ik kon me zelfs een voorstelling maken van de maanden erna. Ik was er klaar voor. Maar dat was buiten mijn borsten gerekend. Wist ik veel dat die twee voor problemen gingen zorgen? Een bijkomend onderzoek is nodig. Ik ben de hematoloog er tot in de eeuwigheid dankbaar voor dat ze dat onderzoek nog heeft kunnen inroosteren op morgen. Dinsdag half 4. Een gerichte echo van mijn linkerborst. Een onvoorziene hindernis op mijn parcours.

De rest van mijn vragen heb ik op een drafje afgewerkt, verdoofd door dit nieuws. Want natuurlijk komt alles op de helling te staan. Als dit iets slechts is, dan wordt heel de stamceltherapie uitgesteld. Of zelfs afgelast. Ik zie mijn mooie planning al in rook opgaan. Heb ik hiervoor zo diep gezeten? Om op de valreep tegengehouden te worden? En ook: is het mij niet gegeven om een probleemloze weg af te leggen richting 4 januari, de dag van mijn eerste chemo? Ik ben geen calimero, maar vandaag toch een beetje. Waarom ben ik ziek en blijf ik maar slecht nieuws krijgen? Dit is niet eerlijk.

Maar Annelies, zijt kalm. Ge moet zo niet panikeren. Ge moet dag per dag leven. Geduldig zijn. Braaf afwachten. Hopen op het beste. Dat wordt mij gezegd. Omdat er voor de rest niks te zeggen valt. Maar ik doe al deze dingen al heel lang. Er staat een limiet op wat een mens kan verdragen. Een limiet op hoeveel keer je jezelf bijeen kan rapen.

Toen we buitenkwamen, waren we alledrie zo van de kaart, dat we onze weg naar de uitgang niet vonden. De lieve hematoloog hielp ons. Brengster van slecht nieuws, uitlegster van praktische zaken, meelevende medemoeder, gedecideerde afsprakenforceerster, en nu ook nog richtingaanwijzer. Ze is van vele markten thuis. We vonden de cafetaria te triestig, dus besloten we naar de bistro eventjes verderop te gaan om onze wonden te likken en onze strategie aan te passen. Ik was niet de aangenaamste lunchpartner. Ik deed waar ik blij van word: dingen regelen. De kapper afbellen, mensen optrommelen om de kindjes morgen op te vangen, checken of ik mijn afspraak bij de kinesist nog kon laten doorgaan. Toen dat allemaal klaar was, voelde ik me nog steeds niet beter. Ik voelde me nog steeds kwaad. Foert, dacht ik. Ik ben het beu. Mijn rekker is op. Ik trek dit niet meer. Ik doe niet meer mee.

In die spirit bestelde ik een cava. In de spirit van dat je moet lachen als je niet wilt huilen. Een cava op een maandagmiddag, we doen eens zot. Toen kwam de ober en zette een flesje plat water voor mijn neus. Mijn cava belandde bij mijn mama. Weer iets dat mij niet gegund werd. En dat, dames en heren, was het geheel toepasselijke einde van deze afgrijselijke voormiddag.

x

Share: