Ik begin met een primeur. Vandaag heb ik voor het eerst in 6 dagen kleren aangetrokken. Dat voelde zo goed! Ik heb wel wat hulp nodig met het wassen en het aankleden (ik ken geen schaamte meer over mijn lichaam, als dat er ooit al geweest zou zijn), maar ik lag daar toch maar mooi te blinken in de zetel. Ik heb zelfs mijn oorbellen ingedaan. Gek wat dat doet. Ik voel mij al heel wat minder patiënt, alleen door mijn outfit aan te passen. Lang leve de oppervlakkigheid!

Ik had vandaag een prachtige, pijnvrije dag, en ik heb ervan genoten. Voorlopig ondervind ik nog geen bijwerkingen van de spuitjes. De dokter heeft me gezegd dat dat vanaf dag 3 zou zijn. Dat is pas morgen. No worries, ik zit helemaal op schema. Ook de misselijkheid is volledig verdwenen. Alleen is die chemo al mijn slijmvliezen aan het aantasten. Ik heb bijvoorbeeld droge ogen, een ruwe keel en nog wat kleinigheden. Niks om over naar huis te schrijven. Ik durf bijna zeggen dat ik me normaal voel vandaag! (als ik niet denk aan die katheter die in een groot bloedvat onder mijn sleutelbeen zit)

Mijn lichaam mag dan redelijk ok zijn, mijn hoofd is dat allerminst. Ik heb een vreselijke schrik gepakt in het ziekenhuis. Vooral hoe ik ben omgegaan met de pijn en het afzien, heeft me erg aangegrepen. Het is waar wat ze zeggen: als je extreem lijdt, dan kruip je in een bubbel. Je kan aan niets anders meer denken dan aan je ellende. Bij mij ook: ik had gedacht dat, als ik zou afzien, ik dan maar aan mijn meisjes en aan N. moest denken en dat ik dan terug moed zou vatten. Wat bleek? Ik kwam zelfs niet op het idee om aan mijn dierbaren te denken. Er kwam niks in mijn hoofd. Helemaal niks. Alleen die miserie. Ik dacht niet aan anderen, of aan de toekomst, of aan het verleden. Ik kon mijn situatie niet in perspectief plaatsen. Er was niks. En dat is eng. Ik werd gereduceerd tot een pijnlijk lichaam, mijn hoofd werkte niet meer. Het was er pikkedonker.

Nu zit ik dat hier allemaal flink te analyseren, vanuit de zetel, met de lichten aan en N. vlakbij mij, maar dat beangstigende gevoel laat me niet los. Overdag ben ik -buiten tijdens mijn middagdutje van 13u tot 15u- nooit alleen. Ik zorg ervoor dat hier altijd iemand is. Vandaag heeft tante Y. de huishoudhulp afgelost. Ze is heel de dag bij mij geweest en ondertussen heb ik bezoek gekregen van tante M, mijn nichtje, mijn zusjes en de verpleegster van het wit-gele kruis. N. heeft de late babysitshift. Morgen komt mijn schoonmama heel de dag voor me zorgen. Ik heb geen privacy. Ik wil geen privacy. Ik wil niet alleen zijn.

Omdat als ik alleen ben, de paniek komt. Die kliniekpaniek ligt altijd op de loer, maar overdag ben ik haar te slim af. Het zonlicht en de mensen om me heen jagen haar weg. Overdag ben ik redelijk, spreek ik mezelf moed in en denk ik positief. Ik durf zelfs al eens een grapje te maken. Ik hou de schijn hoog. Maar ’s nachts, wanneer N. slaapt en ik helemaal alleen ben, dan begint het. Dan komen mijn demonen. De ergste rampscenario’s verschijnen levendig voor mijn ogen. Ik herbeleef de pijnlijkste momenten. Ik voorzie nog pijnlijkere momenten. Het angstzweet breekt me uit. Paniek maakt zich van me meester. Ik wil uit die negatieve spiraal, maar ik kan het niet. Alleen het aanbreken van een nieuwe dag kan me redden.

Vroeger was ik een geruste slaper. Ik ben er altijd in geslaagd om de knop af te zetten op het moment dat ik mijn nachtlampje uitknipte. Maar nu lijkt de nacht onoverkomelijk. Ik ben bang om te gaan slapen. Ik wil geen slaappillen nemen, want ik heb al genoeg rommel in mijn lijf. Daarbij, ik wil niet verslaafd worden. Maar bovenal vind ik dat ik moet leren omgaan met mezelf. Ik moet leren om mijn angsten in de ogen te kijken. Binnenkort lig ik weken aan een stuk alleen in een kamer, zonder afleiding van mensen, zonder mijn lievelingen om me heen. Wat ga ik dan doen? Ik moet en ik zal een manier vinden om me over te geven aan de situatie en mijn lot te ondergaan. Gewoon geduldig afwachten wat er op mijn pad ligt.

Net zoals iedereen.

x

Share: