Woensdag 17/1/’18 – 11.50u – Stekene. Ik ben van mijn tweede verlofdag aan het genieten. Ik heb zalig geslapen en ben pijnvrij opgestaan. Ik heb al een hele voormiddag in een boek zitten lezen dat ik van vrienden gekregen had (‘Over levenskunst’ – J. Dohmen). Ik heb het mij gezellig gemaakt met een theetje, de haard aan en mijn dikke huiskousen aan mijn voeten. Totale ontspanning dus. Ik verlaat deze rustgevende setting even voor een plaspauze. Ik ga naar het toilet. Ik doe mijn ding, ik kuis af, en vooraleer ik doorspoel bekijk ik het wc-papier.

Een klad haar. Mijn hart slaat een tel over. Wat gebeurt er? Waarom hangt mijn wc-papier vol haar? Waarom ben ik naar mijn wc-papier aan het kijken? Doe ik dat anders ook? Met bevende handen gooi ik het weg, spoel ik het door en trek mijn broek terug op. Ik was mijn handen en met een bang hartje blijf ik voor de spiegel staan. Voorzichtig wrijf ik met mijn handen door mijn haar. Zeker 25 haren vast. Ik herhaal deze beweging een aantal keer. Er blijven klodden haar meekomen. Het is begonnen.

Ik voel me -zoals tegenwoordig wel vaker- overvallen en volledig verrast door de situatie. Natuurlijk wist ik dat mijn haar zou uitvallen, maar niemand had mij gezegd dat het zo zou beginnen. Er was mij voorgespiegeld dat ik ’s morgens bij het ontwaken wat pluizige plukjes haar op mijn kussen zou aantreffen. Die lieflijke eerste lokjes zouden het begin inluiden. Zo romantisch! Precies een sprookje. Niemand heeft me gezegd dat schaamhaar ook uitvalt, en wel als eerste. Niemand heeft me gezegd dat ik deze ontdekking zou kunnen doen op klaarlichte dag, om 11u50, in mijn toilet. Daarom zeg ik het hier. Omdat ik wenste dat iemand me dat had gezegd.

Ik holde naar de living om mijn telefoon te nemen, maar ik wist niet wie ik moest bellen. Bijna al mijn vrienden waren aan het lesgeven, mijn zus was haar eerste dag aan het werk, mijn tante M. kon ik niet bereiken, en mijn mama wou ik niet bellen want ik wilde haar na de zware maandag heel even een pauze gunnen van mijn drama’s. Ik probeerde mijn ademhalingsoefeningen te doen en mijn mindfulnesstrucjes, maar de tranen bleven over mijn wangen stromen. Ik wreef telkens terug door mijn haar om te kijken of het nog steeds waar was. Ik legde mijn buit op een papieren zakdoekje en zag de stapel groeien. Je moet mij niks leren over zelfkastijding. Ik weet er alles van.

Toen kwam geheel onverwacht tante Y. binnen. Alsof God ermee gemoeid was. Ze heeft me opgevangen, getroost en in de watten gelegd. Ik heb mijn zinnen kunnen verzetten en samen hebben we een actieplan opgesteld. We besloten dat het het beste zou zijn dat ik mijn sjaaltje alvast zou opzetten, zodat niet heel mijn huis vol haar zou liggen. Op die manier zou ik, maar ook N. en de meisjes al kunnen wennen aan mijn nieuwe look. Zo gezegd, zo gedaan. Mijn lievelingen troffen me gesluierd aan toen ze thuiskwamen. R. vroeg waarom ik een muts ophad, we waren toch binnen? Ik vertelde haar dat mijn haar uitviel door de medicijnen, maar dat het zeker terug zou groeien. Toen wees ik naar hun babyfoto’s die op de muur van onze woonkamer prijken. Kijk, jullie hadden vroeger ook geen haar, en kijk eens hoe mooi lang haar jullie nu hebben? Ze waren gerustgesteld. Godzijdank waren mijn meisjes zo kaal als een knikker bij hun geboorte.

N. was een ander paar mouwen. Mijn telefoontje van ’s middags had er goed op ingehakt. We wisten dat het kwam, maar hij was even hard geschrokken als ik. Op voorhand hadden we op een rationele, volwassen en evenwichtige manier gebabbeld over de nakende kaalheid. We hadden ons voorgenomen om rustig te blijven en niet te dramatiseren. N. had er zelfs op aangedrongen om zelf mijn haar af te scheren als het zover zou zijn. Ik vind het heel dapper van hem dat hij gisteren toegaf het niet meer te zien zitten. Hij vertelde me dat hij er ook niet wou bij zijn. Die arme schat had het volledig onderschat. Ik herkende het gevoel en heb hem eens goed geknuffeld.

Dan was er maar één redding: tante M. Jammer genoeg heeft zij ervaring met chemopatiënten en is ze niet aan haar proefstuk toe. Ik belde of ik mocht komen nadat ik de kinderen in bed had gelegd. Dat was in orde. Mijn mama was ondertussen uiteraard ook al op de hoogte gesteld-lang heeft haar pauze niet geduurd. Samen kwamen we toe in het huis van onze redster. Mijn haar deed pijn en jeukte verschrikkelijk. Ik keek er op een vreemde manier wel naar uit dat het zou afgeschoren worden. Het leek een verlossing. We hebben onszelf moed ingedronken met een half glas cava (tante M. niet-zij moest nog scheren!), en toen zijn we eraan begonnen. Het heeft niet lang geduurd. Ik zag mijn korte haren naar beneden vallen. Ze waren nog langer dan ik dacht.

Ik was er zeker van dat het ergste al achter de rug was toen ik enkele weken geleden mijn lange lokken heb laten afknippen Nu moet ik daarmee lachen. Een knipbeurt is kattenpis in vergelijking met een scheerbeurt. Heel voorzichtig keek ik in de spiegel. Ik probeerde te glimlachen naar die kale vrouw, maar begon in plaats daarvan te wenen. Waardoor het tafereel nog lelijker werd natuurlijk. Mijn mama en tante M. waren heel lief, zeiden niets en pakten me alleen maar vast. Daar ben ik hen dankbaar voor. Want er viel niets te zeggen. Dat het erg is, ja. Voor hen. Voor mij vooral.

Mensen met haar kunnen vandaag niks goed zeggen tegen mij. Net zoals toen ik zelf nog haar had en dus een grote mond had, zeggen ze ‘dat is het minste’, of  ‘het groeit wel terug’, of ‘het is maar tijdelijk’, en doen daarmee afbreuk aan het verschrikkelijke gevoel dat ik heb. Als je dat zelf niet hebt meegemaakt, kan je je gewoon niet voorstellen wat dat is. Alle goedbedoelde troost schiet in het verkeerde keelgat. Jezelf zo zien, gaat door merg en been. Het eerste wat bij me opkwam toen ik in de spiegel keek, was dat ik precies een Auschwitzvrouw was. Nog voor ik verdriet voelde, was mijn eerste emotie schaamte. Ik schaamde me om hoe ik eruit zag.

Mijn reactie was niet rationeel, maar emotioneel. Ik reageerde zoals iedere mens zou doen. Het zit namelijk in onze cultuur ingebakken dat een vrouw wiens haar afgeschoren wordt, op één of andere manier gestraft wordt. Het afscheren van het haar van de Joden in de concentratiekampen had buiten zogezegde hygiënische doeleinden, voornamelijk als doel om hen te ontmenselijken. De vrouwen die na de oorlog werden kaalgeschoren omdat ze een Duits lief hadden: hetzelfde. Onder andere deze beelden vormen ons cultureel onderbewustzijn en zorgen ervoor dat kale vrouwen een aura van schande rond zich hebben hangen. Ook al weet ik heel zeker dat ik me niet moet schamen, toch voelde ik het in een eerste reflex zo aan. Wat toepasselijk dat net mijn schaamhaar als eerste begon uit te vallen. Wat nog erger is: ik ben bang om iemand te choqueren. Voor ik me laat zien met mijn afgeschoren hoofd, waarschuw ik de mens in kwestie. ‘Pas hé, want ik heb mijn sjaal niet op. Niet verschieten.’ Als je erbij nadenkt, is dit een absurde situatie. Het zit zo scheef als wat.

Ik reed terug naar huis en toen ik de living binnenkwam, vroeg N. lief hoe het met me ging. ‘Laat me gerust’ riep ik en ik stormde naar de slaapkamer om daar wat verder te wenen. Ik huilde om wat ik had gezien in de spiegel, om de zoveelste grote opoffering die ik moet maken om beter te worden, maar ik huilde voornamelijk omdat N. niet naar me toe kwam. Waarom komt die nu niet? Begrijpt die nu niet dat hij me moet volgen? Misschien komt hij niet, Annelies, omdat je net gebruld hebt dat hij je gerust moest laten en hij je wens respecteert? Grrrrrr. Sommige dingen zullen nooit veranderen. Zelfs in de moeilijkste tijden blijft alles bij het oude. N. doet wat ik vraag. Niet meer, niet minder.

Uiteindelijk is hij natuurlijk wel bij me komen liggen en heeft hij me getroost. Eerst wilde hij niet dat ik mijn sjaaltje afdeed. Hij was bang voor zijn eigen reactie. Dat kwetste me natuurlijk. Het verergde mijn schaamtegevoel. Na een tijdje vroeg hij toch of hij mijn hoofd mocht zien. Zijn reactie was heel positief. Mooi is nu niet direct het juiste woord, maar hij vindt mij nog steeds erg aantrekkelijk. Hij vindt zelfs dat ik er mét sjaaltje zieker uitzie dan zonder. En dat is het mooiste compliment dat hij mij kon geven.

Deze ochtend kwam R. op mijn bed zitten en vroeg of ze eens mocht kijken. Aarzelend liet ik een klein stukje zien. ‘Doe maar, mama, ik beloof dat ik je niet zal uitlachen.’ Ik knipperde met mijn ogen en kon mijn oren niet geloven. 5 jaar en al geïnfecteerd door ons cultureel erfgoed. Op een basaal niveau voelt zij aan dat een kale kop samengaat met schaamte, iets waarvoor je mogelijks uitgelachen zou kunnen worden. Nu besef ik pas hoe diep deze reflex zit ingeworteld bij de mens, als zelfs mijn zelfgemaakte kleuter zoiets zegt. Net toen ik mijn doekje wilde afnemen, kwam kleine P. binnengedwarreld met haar krulletjes die op en neer wippen langs haar engelengezicht. Ik heb mijn doekje laten zitten waar het zat. Vanavond is er nog een kans om niet uitgelachen te worden.

x

 

Share: