De kogel is door de kerk. Op woensdag 31 januari word ik opgenomen voor fase 2 van mijn behandeling. Gisteren heb ik een batterij aan onderzoeken gehad in het ziekenhuis. Er was de echo van mijn ingewanden. 10/10. Daarna een longfunctietest. Heb ik daar gelachen. Een verpleegster met een Russisch accent begeleidde me. Begeleiden is niet het geschikte woord. Ze moedigde me aan alsof haar leven ervan afhing. ‘Normaal ademen, normaal ademen, normaal ademen, INADEMEN houden houden houden houden houden en…blase, blase, blase, blase, blase, blase, blase, nog een bitje blase. Klaar.’ Ik schoot telkens in de lach wanneer ze mij zo enthousiast zat te coachen. Alsof ik een olympische gymnaste was en zij mijn trainster. Haar instructies waren zo overtuigend dat zelfs mijn mama gehoorzaamde, ook al was zij geenszins onderwerp van het onderzoek of aangesloten aan een apparaat. We sloten de voormiddag af met een tocht naar de radiologie, alwaar er foto’s werden gemaakt van mijn longen (het gaatje is dicht!) en mijn sinussen. Al deze onderzoeken dienen om latente infecties uit te sluiten. Wanneer ik binnenkort geen immuniteit meer heb, zijn er inderdaad best geen latente infecties.

Om 13u had ik dan een afspraak met de psycholoog. We hebben het over mijn kale kop gehad, over mijn angsten en over mijn relatie met N. Tegen het einde van het gesprek was ik al behoorlijk uitgeput, op alle vlakken, maar dan moest het summum nog komen: het gesprek met de hematoloog. Eerst werd er weer bloed afgenomen. Mijn katheter, die wat geïrriteerd is en superhard jeukt, weigerde alle medewerking. Vloeistof erin ging wel, bloed eruit totaal niet. Ik slaagde er wonderwel in rustig te blijven. Na talloze pogingen gaf de verpleger het op en heeft me dan maar in de arm geprikt om het nodige bloed te collecteren. Ondertussen was de hematoloog mij al komen zoeken in het bloedkotje. Ze wist me te vertellen dat alle onderzoeken er pico bello uitzagen. Ze had ook overlegd met mijn neuroloog over het verdere verloop van de behandeling.

Het menu ziet er als volgt uit: we starten met 4 dagen chemo. Het is dezelfde cocktail als vorige keer, maar in een lichtere dosis. Hopelijk is mijn overgeven recht evenredig en dus ook in een lichtere dosis. Als bijgerecht zal ik gedurende die 4 dagen ook een ander goedje geserveerd krijgen. Dit goedje staat bekend onder de naam ATG (antithymocytenglobuline) ofte konijnenspul. Voor zover ik het zelf begrijp, worden er bestanddelen van menselijk bloed in konijntjes gespoten, waarop die dan reageren. De wipstaartjes maken antistoffen aan en die antistoffen worden dan weer bij hen afgetapt en bij mij ingespoten. Zoiets is het. Ik had dit liever niet geweten, want ik ben nogal vies van knaagdieren in het algemeen en van hun bloed in het bijzonder. Ik heb gelezen dat er ook soms paarden worden gebruikt hiervoor. Dat zou ik precies liever hebben gehad. Als er dan toch per ongeluk een paar eigenschappen van het dier in kwestie zouden worden meegegeven met die antistoffen, dan zou ik liever kracht en fierheid ingespoten krijgen, dan angst en rillerige beverigheid. Tot zover mijn bedenkingen bij dit onderdeel van de uiteenzetting.

Er was nog iets dat me opviel. De wereld van de stamceltransplantatie werkt met een eigen tijdsrekening. Waar voor iedereen buiten de dienst hematologie de gregoriaanse kalender geldt, leven de hematologen in een parallel universum. Zij spreken van dag min 5, dag min 4, dag min 3 en zo verder tot dag 0. Na dag nul komt dag plus 1, dag plus 2, dag plus 3, enzoverder enzovoort. Ze doen er alles aan om mij warm te maken voor dag 0. Als je het hardop zegt, lijkt het wel of je aan het aftellen bent voor een raketlancering. 5, 4, 3, 2, 1…KNAL. Maar in feite maakt mijn lichaam een omgekeerde beweging. In plaats van naar boven, gaat het naar beneden. Hoe dichter ik dag 0 nader, hoe dichter ik bij de totale vernietiging van mijn lijf sta. Ik kan het beter ground zero noemen. Want zo zal mijn bloed eruit zien. En zo zal ik mij ongetwijfeld voelen met al die chemo en dat konijnenspul in mijn lijf.

Op dag -1 krijg ik geen chemo, enkel konijnenspul. Na deze dag is de conditionering van mijn dom immuunsysteem een feit. Het is tot op de grond afgebroken. De volgende dag is het de grote dag van de transplantatie. Op dag 0 worden mijn stamcellen die op 15 januari geoogst werden, aan mij teruggegeven. Hoeveel het er waren, vroeg ik aan de hematoloog. 5,7 miljoen per kg lichaamsgewicht, zei ze. Is dat veel, vroeg ik. ‘We mikken tussen de 4 en de 6 miljoen, dus jij zat bijna aan de bovengrens’ Ik kan het niet laten een overwinningskreet te slaken. Oef! Bijna het maximum, en dat in een kortere tijd dan gepland. Je bent een strever of je bent het niet. Nogal ingenomen met mezelf verliet ik het ziekenhuis. Alle onderzoeken waren goed, mijn katheter is enkel geïrriteerd, niet geïnfecteerd en ik heb zicht op mijn nabije toekomst. Wat kan een mens nog meer wensen?

Rust in het hoofd. Dat kan een mens nog meer wensen. De laatste dagen was ik te moe en te verdrietig om te schrijven. Ik voelde me futloos en intriest. Vreselijk gespannen ook. Zeg maar gerust overspannen. Niemand kon iets goed doen, niemand kon iets goed zeggen, en ik werd zelf onhebbelijk. Geen pleziertje, want ik heb ontdekt dat ik even chagrijnig kan zijn als enthousiast. En dat is er niet naast. Ik duw al mijn intimi weg en vind niet de energie om iemand op te bellen. Aldus duikel ik dieper weg in een negatieve spiraal. Ik ben zo gefocust op mijn lichaam en zo creatief in het uitdenken van doemscenario’s, dat ik er niet meer uitraak. Ik ben enkel gelukkig wanneer ik slaap. Dat is dus: wanneer ik even niet bij mezelf of mijn gedachten moet zijn. Ik ben zo bang dat het misloopt. De angst heeft me in zijn greep. Angst verlamt en zorgt ervoor dat je alles vanuit die angst gaat beleven (dat zijn de woorden van de psycholoog, zover was ik zelf natuurlijk nog niet). Ik probeer me er niet tegen te verzetten, maar ik probeer met een open mildheid naar mezelf en de situatie te kijken. Dat heb ik ook weer niet van mezelf, maar van het boek van Edel Maex, de mindfulnessexpert. Ik doe flink mijn oefeningen en ik doe mijn best. Maar dat is juist het probleem. Ik doe zo krampachtig mijn best om niet krampachtig te zijn, dat het gedoemd is om te mislukken. Ik weet niet hoe dat moet, mild zijn voor jezelf. Ik weet ook niet hoe ik geduldiger kan worden, of gelatener. Het lijkt wel of ik niet alleen mijn denken, maar heel mijn persoonlijkheid moet veranderen om hier zonder kleerscheuren uit te komen.

Tijd heelt alle wonden, zo wordt er beweerd. Ik geloof dat echt. Maar het wordt tijd dat ik een lichtpuntje zie waaraan ik me kan vastklampen. De komende weken waarin ik in afzondering zal liggen, staan als een onneembare hindernis tussen mij en mijn toekomst. Ik kan er niet overheen kijken. Totdat die hindernis overwonnen is, weet ik diep vanbinnen dat die angst zal blijven…knagen.

x

Share: