Gisteren had ik een afspraak bij de hematoloog. Na mijn transplantatie zag ik haar wekelijks, nu daten we om de twee weken. Veel houden deze afspraken niet in. Ze bestaan voornamelijk uit wachten. Wachten in de file, wachten tot mijn nummer verschijnt, wachten totdat er bloed genomen wordt, wachten tot de dokter me roept, wachten om een nieuwe datum te plannen. Daarna naar huis, wachten tot de volgende afspraak.

In de wachtkamer van de hematologie/oncologie hangt een curieuze sfeer. Iedereen kijkt naar iedereen en iedereen stelt zich maar één vraag: ‘Wat heeft die?’. Die ene vraag brengt een stroom van andere vragen met zich mee. ‘Hoelang weet zij/hij ‘het’ al?’ ‘Hoever zit hij/zij al in de behandeling?’ ‘Wat is zijn/haar prognose?’ ‘Hoe reageerde hij/zij op het verdict?’ ‘Zou hij/zij kinderen hebben?’ ‘Hoe oud is hij/zij?’, enzoverder enzovoort.

Na een voormiddag in die wachtkamer heb ik volledige levensverhalen bij elkaar gefantaseerd, louter op basis van de teint van hun huid en de aan- of afwezigheid van hun haar. Want praten gebeurt daar niet. Nee, iedereen is druk bezig met te doen alsof hij niet aan het kijken is. Want dat kijken gebeurt stiekem, vanachter een boek of smartphone. De kijkers met een krant ogen het meest professioneel. Iedere keer neem ik me voor een gazet mee te nemen, dan kan ik ook quasi achteloos de wachtkamer scannen terwijl ik met een groot gebaar een pagina omsla.

De laatste weken heb ik naar de serie ‘Gevoel voor tumor’ gekeken op tv. De makers zijn er fantastisch goed in geslaagd om vooral de kleine zaken heel raak weer te geven. Hoe vaak heb ik vanuit de zetel geroepen ‘dat is in het echt ook zo!’. Ik heb het dan niet over een moeder met een midlifecrisis op het foute moment of over een zus met het lelijkste kapsel ever, maar eerder over de onderbelichte kanten van ziek zijn. Zoals bijvoorbeeld over de onuitgeproken wetten van een ziekenhuiswachtkamer.

Hoe het is om te moeten wachten in een wachtkamer vol medepatiënten. Hoe je jezelf in het begin distantieert van die mensen omdat je niet tot die zieke mensen wilt behoren. Hoe je na een tijd toch toenadering zoekt tot die mensen, omdat je beseft dat je bij hen hoort, of je dat nu wilt of niet. Prachtig in beeld gebracht. Of die scène met zijn haar, dat werd afgeschoren door zijn vriendinnetje. Dat was voor iedereen die zijn haar verloren heeft een ongelooflijk herkenbare situatie. Zo rauw is de werkelijkheid namelijk. Ook al kwamen er soms heel intense en hevige gevoelens terug naar boven toen ik naar de reeks keek, toch heb ik ervan genoten. Ik ben blij dat er een stem gegeven is aan jongeren met kanker. Als ik zie hoeveel jonge mensen er in ‘mijn’ wachtkamer zitten, dan denk ik dat de reeks heel wat kan betekenen. Ik heb het als chemomens in ieder geval als een steun en moment van erkenning ervaren.

Ik spreek vanuit een luxepositie natuurlijk. Bij mij is het ergste achter de rug en ik ben al volop bezig met de verwerking van alles wat er de afgelopen maanden gebeurd is. Erover babbelen helpt. Wee de persoon die vraagt hoe het met mij gaat. Die kan best een half uurtje uitrekken om mijn antwoord te aanhoren. Maar er is iets geks aan de hand. Hoe meer ik erover babbel en hoe meer tijd er verstrijkt, hoe meer ik het gevoel krijg dat ik over iemand anders aan het babbelen ben. Dat alles wat er is gebeurd, iemand anders overkomen is. Dat ik dat niet was daar in die isolatieperiode.

Het voelt alsof ik terug boven water kom na heel lang heel diep te hebben gezeten. Ik kan terug ademen. En met ademen bedoel ik leven. In ‘Gevoel voor tumor’ was er ook een aflevering waarin het hoofdpersonage zegt dat hij zich sinds zijn diagnose in een parallel universum waant, een soort van bubbel. Naar het ‘echte’ leven kan je alleen maar kijken als je ziek bent. Mijn bubbel is opengespat. Ik hoor er terug bij. Wie mij volgt op Instagram heeft al lang gezien dat ik nu mijn droomleven leid. De ene keer zit ik op een paard, de andere keer op de fiets, dan weer in de tuin en overlaatst zelfs nog achter een mocktail.

Natuurlijk post ik geen foto’s van mijn dagelijkse berg antibiotica die ik ondertussen al twee maanden neem, of kan ik ook niet klagen over kleine ongemakken. In het licht van wat ik heb doorstaan, is zowat alles peanuts. Toch ben ik na elke consultatie bij de hematoloog een beetje teleurgesteld. Mijn supergoed gevoel wordt niet weerspiegeld in mijn bloedbeeld. Er is minimale vooruitgang, maar er zijn nog heel veel waarden in het rood. Ik moet dus voorzichtig blijven met mijn voeding, met de plekken waar ik kom en de mensen die ik zie. Van werken is nog geen sprake. Elke keer heeft de dokter dezelfde boodschap: verder doen zoals je bezig bent en veel geduld hebben. Dit verloop is perfect normaal na een stamceltransplantatie. Wachten tot je bloed zich vanzelf herstelt.

Dan kan je twee dingen doen: je kan in de zetel gaan liggen wachten tot je officieel genezen bent verklaard of je kan die wachttijd zo aangenaam mogelijk doorbrengen. Ik kies voor het tweede en ben dankbaar dat ik de energie heb om die tweede optie te kunnen kiezen. Ik heb lang genoeg gewacht. Het leven is nu. In mijn wachtkamer is het feest.

x

 

Share: