‘We moeten de diagnose afwachten.’

Deze onheilspellende mededeling kreeg ik gisteren te horen in de meest onwaarschijnlijke setting ooit. Ik was op weg naar mijn collega, die mijn opdracht op school het voorbije jaar had overgenomen, toen mijn auto het plots niet meer deed. Mijn snelheid daalde van 125 km/uur naar 70 en vervolgens naar 50, lichtjes op het dashboard begonnen te flikkeren, en ik manoeuvreerde mijn auto naar de pechstrook van de expressweg. Bijna een jaar geleden hebben we een nieuwe auto gekocht, eentje met een automatische versnellingsbak, omdat mijn rechterarm het soms laat afweten en het schakelen te moeilijk werd. Nu liet die in mijn ogen nog steeds splinternieuwe MS-mobiel het volledig onverwacht afweten en zat ik daar met bonzend hart op een razendsnelle autostrade. De camions gierden me voorbij, bijna even hard als de zenuwen door mijn keel.

Na een (dit zijn niet mijn woorden) hysterisch telefoontje naar N., slaagde ik er toch in om de juiste stappen te doorspartelen en kreeg ik achtereenvolgens de dame van onze garage en daarna een dame van de assistentiedienst aan de lijn. Deze begon me allerlei levensbelangrijke vragen te stellen, zoals wat de nummerplaat van mijn wagen was, de kilometerstand en het chassisnummer. Ook vroeg ze of de E34 hetzelfde was als de A11. Ik goochelde met de boekjes uit het handschoenenkastje en ik vocht tegen de witte ruis in mijn hoofd, die altijd opsteekt als er mij een geografische vraag wordt gesteld. Mijn hartslag bereikte ongezonde hoogtes en mijn okselvijvers werden verdacht groter, maar ik bracht deze quiz voor gevorderden toch tot een goed einde. Ik kon maar aan één ding denken: ik moet hier weg. Ik vertelde tegen de dame hoe bang ik was en om me gerust te stellen zei ze dat ik heel voorzichtig moest zijn omdat de meeste dodelijke verkeersongevallen op de pechstrook gebeuren. ‘Sorry hoor’. Ze had duidelijk geen psychologische opleiding gehad, daar in Luik.

Ik griste het fluovestje van P. mee en klom naar de passagierskant om zo aan mijn metalen doodskist te ontsnappen. Eens ik over de vangrails in de braamstruiken gesukkeld was en het krappe fluovestje ternauwernood over mijn borsten had gesjord, kon ik eindelijk terug ademhalen. Ik wilde dat iedereen stopte, of toch tenminste vaart minderde, maar het verkeer denderde maar door. Iedereen was weer heel druk, snel, rap, gauw, belangrijk. In een vlaag van bezinning (ja, dat kan je hebben wanneer je uit de ratrace stapt) vroeg ik me af hoeveel mensen zich deze rit nog zouden herinneren volgende week, de volgende dag, het volgend uur. Niemand. Maar o, wat moeten we ons toch haasten! Na een kleine 20 minuten kwam mijn redder aangesnord in een gele takelwagen. Ook hij klom via de passagierskant uit het voertuig. Die mannen hebben ervaring met pechstroken en hysterische vrouwen. Hij takelde mijn auto op en onderweg naar de garage hadden we een redelijk beschaafde conversatie. Ik was teleurgesteld toen hij ontkennend antwoordde op mijn vraag of hij het gewoon was om wenende mensen in zijn takelwagen mee te nemen.

In de garage was het dus wachten geblazen op de diagnose. Ze vervingen de bougies en de motor liep, zij het haperend. Met ander woorden: ze hadden een hartslag, maar een onregelmatige. In het ergste geval stond een volledige motortransplantatie op het programma. Arme auto, hij had zijn eerste verjaardag nog niet eens gevierd! Na veel vijven en zessen ben ik dan naar mijn schoonouders gevoerd, vanwaar ik mijn tocht naar mijn collega verder zetten. Vier uur later dan afgesproken kwam ik daar aan. Hey, je bent gemotiveerd of je bent het niet.

Vandaag blijkt dat de MS-mobiel inderdaad een nieuwe motor krijgt. Hij zal volledig herstellen, maar moet toch twee weken op ziekteverlof blijven in de garage. We kregen wel een vervangwagen. Je raadt het nooit: de versnellingsbak is handmatig. Ik zal er wel geraken zeker, maandag? En ook: slechte voortekens, die bestaan toch niet echt hé?

x

Share: