maandag 5/11/’18 – 8u25 – Sint-Ritacollege. De bel gaat. De leerlingen wandelen naar hun rij. Ze zijn goed uitgerust na een deugddoende herfstvakantie en zijn wel een beetje benieuwd om die ‘nieuwe’ leerkracht Latijn eindelijk eens te zien. Maar mevrouw Van Oost komt niet opdagen. Ze stuurt haar kat. Wat zij niet weten is dat mevrouw Van Oost op datzelfde moment verwikkeld is in een hevige huilbui zo’n 4,5 km verderop, in het ziekenhuis, de plek van haar ergste nachtmerrie.

Vindt u dit een beetje pathetisch? Dat is het ook. Maar daarom is het niet minder waar.

Vrijdagochtend heb ik me voor de vierde keer laten vaccineren bij de huisdokter. ’s Avonds begon ik te bibberen en kreeg ik koorts en hoofdpijn (teleurstelling 1). Och, dat is vast van de vaccinatie dacht ik, hoewel ik de vorige drie keren geen bijwerkingen had buiten twee stijve armen. Ik kroop vroeg in mijn bed met een dafalgan, een kersenpitkussentje en een dubbel donsdeken. Badend in het koud zweet heb ik de nacht uitgezeten. Tegen de ochtend was mijn temperatuur nog verhoogd (teleurstelling 2). Ik besloot naar de dokter van wacht te gaan om het zekere voor het onzekere te nemen. Ik zegde alvast het verjaardagsfamiliefeest voor mijn papa af (teleurstelling 3), en het dansfeest van mijn vriendin G. was ook niet meer haalbaar (teleurstelling 4). Mijn focus lag op maandag. Al maanden ligt mijn focus op maandag. Na meer dan een jaar afwezigheid zou ik maandag starten, dat had ik vorige keer al beloofd.

De dokter van wacht dacht door de combinatie van hoofdpijn, overgeven, koorts en spierpijn aan meningitis en raadde me aan om ‘toch even langs te gaan op spoed’ om ‘wat dingen uit te sluiten’ (teleurstelling 5). N. en ik zetten de meisjes af op het feest en reden richting UZA, in de overtuiging dat we ’s avonds wel terug thuis zouden zijn. Met een blauwe emmer op mijn schoot zat ik voor me uit te staren in de auto. Ik zei geen woord. Een veeg teken, want ik zit zelden om woorden verlegen. Maar wat kon er gezegd worden? Dat het spijtig was? Dat ik mijn hoofd niet mocht laten hangen? Dat er wel ergere dingen zijn? Dat dit ook wel weer over gaat? Of nog iets anders wat mij al 1000 keer is gezegd, bij elke opstoot, bij elk vallen, bij de transplantatie? Ik ben uitverteld.

We werden relatief snel geholpen. De batterij aan onderzoeken schoot nog maar eens in gang. De artsen ter plaatse hadden wel wat tijd nodig om mijn voorgeschiedenis te bestuderen en er werd direct een neuroloog bijgehaald. Infuus werd gestoken, bloed getrokken, vocht en antibiotica toegediend, urine gecheckt, foto van de thorax gemaakt. ‘ah, gij hebt uwe BH nog aan, wil je die zo snel mogelijk uitdoen?’ – ‘ja, meneer, maar ik kan dat niet want er hangt een baxter aan mijn arm’ – ‘GVD, het is toch altijd hetzelfde hé, laat die dan gewoon over uw infuusarm hangen hé seg. En steek uw ketting in uw mond. En ga met uw schouders tegen de plaat staan. Dichter!’ – met zweethandjes, knikkende knieën en een kop vol schaamte slaag ik erin om dit manoeuvre uit te voeren, pas later besef ik hoe instinctief onderdanig ik gereageerd heb op die onbeleefde ‘zorgverlener’, maar zoals ik al schreef: mijn woorden waren op.

Daarna kreeg ik een scan van mijn hoofd om zo langzaamaan op te bouwen naar het summum van de onderzoeken: de ruggenmergpunctie (teleurstelling 6). Een zeer pijnlijke affaire, zo’n lange naald in je onderrug, maar hey, misschien kan ik straks naar huis, dan een dagje rusten en maandag gewoon voor de klas staan. De knappe dokter deed het voortreffelijk, maar ik vond hem minder sympathiek toen hij zei dat ze me een nachtje wilden houden (teleurstelling 7). Dat had ik misschien wel kunnen denken, maar toch kwam het als een slag in mijn gezicht. Die lieve N. liep ook de muren van box 1 op. We waren er om 16u en om 22u kwamen ze me pas ophalen van de spoed om naar een kamer te brengen. En toen was ik alleen.

Die nacht kwam alles terug. De piepjes, het gezoem, de voetstappen van de verpleegsters, de geur, het licht, de eenzaamheid: ik verdronk in deze vieze bruine golf van herinnering. Wat mijn geest dacht al verwerkt te hebben, wist mijn lichaam nog haarscherp. Een lichaam weet dingen, onthoudt dingen, kan niet liegen. In mijn koortsige deliriumtoestand ben ik wel vijftien keer uit mijn bed gekropen en de gang opgelopen om mezelf ervan te verzekeren dat ik niet opgesloten in isolatie lag. Tegen de ochtend waren mijn koorts en hoofdpijn weg (meevaller 1). Ik had goede hoop om naar huis te mogen want de eerste resultaten van de testen waren ‘geruststellend’ (meevaller 2). N. kwam rond de middag om me gezelschap te houden en wat spullen te brengen. Ik was al wat spraakzamer en bijna blij toen ik mijn boek, krant en laptop bij me had. De dokter kwam ons vertellen dat ze me toch nog een liever een nacht hielden om me op te volgen en om te zien hoe mijn infectiewaarden in het bloed evolueerden (teleurstelling 8). Blijkbaar waren die bij binnenkomst vrij hoog. Mijn witte bloedcellen waren dan weer veel te laag. Er moest overlegd worden met de hematoloog. Ik wist meteen dat dit betekende dat ik maandag niet voor de klas zou staan (teleurstelling 9). Maar misschien woensdag?

In de namiddag facetime ik met de meisjes. R. is flinker dan flink en ik zie dat ze mij wilt opvrolijken. P. stelt allerlei vragen waarop ik zelf het antwoord niet weet. Ze lijkt wel enigszins gerustgesteld als ze ziet dat ik mijn roze nagellak nog aanheb. Dat mocht niet in isolatie om hygiënische redenen dus ik zie haar denken dat het zo erg dan wel niet zal zijn. De meisjes beleven het ook terug (teleurstelling 10). Hun vermoeden dat mama van de ene dag op de andere zonder boe of ba kan verdwijnen, wordt bevestigd. Ik vraag me af hoe dat zit met hun hechting.

’s Avonds heb ik me zo goed en zo kwaad als het ging met die baxter en zere rug proberen wassen. Zoals altijd zette ik mijn muziek op. Ik lig alleen op een tweepersoonskamer, dus niemand had er last van. Dat was alleen buiten mezelf gerekend. Toen ik zo aan het sukkelen was met mijn kleren en dat water, doemde Coldplay ineens in mijn badkamer op. De lyric ‘nobody said it was easy’ schoot in het verkeerde keelgat en een overtuigende huilsessie barstte los. Half uitgekleed zat ik daar op het toilet hartverscheurend veel zelfmedelijden te hebben. Na ongeveer een uur ging het snikken over in wat zacht gesniffel en nog eens een uur later zat ik met een fris gewassen lijf en een lichter, opgeruimder gemoed in mijn bed. Ik had een goede nacht.

Elke dag staat er een andere dokter aan mijn bed. Wat scheelde er nu? Ik weet het niet. Wanneer mag ik naar huis? Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik teruggefloten word. Of dat ik echt heel veel pech heb. Of dat het universum mij iets duidelijk probeert te maken. Wie zal het zeggen? Ik alvast niet, want mijn woorden zijn op.

x

Share: