Met heel veel vreugde in mijn hart kan ik meedelen dat mijn eerste werkweek succesvol verlopen is. Ik ben verschenen waar en wanneer ik moest verschijnen, ik heb niemand moeten teleurstellen en ik kende mijn Latijn nog. Dat de weg hiernaartoe een hele uitdaging was, is het understatement van de eeuw. Mijn veerkracht is tot op het laatste moment op de proef gesteld. Weet je nog hoe uitverteld ik vorige week was, daar in het UZA? Wel, deze week had ik terug heel veel te vertellen. Vraag maar aan mijn kersverse leerlingen. Ik laat je graag meelezen in mijn dagboek van de afgelopen dagen.

Maandag: hoofd in de wolken

Om 6u gaat de wekker en ik spring zo ongeveer uit mijn bed. Ik heb me voorgenomen om mezelf elke werkdag te schminken aangezien ik 30+ ben en aangezien ik me dan beter voel over mijn gekortwiekt uiterlijk. Nadat ik met de grootste inspanning mijn eyeliner had aangebracht (dit kon ik voor mijn transplantatie niet wegens te hard bibberen en te weinig fijne motorische controle), schoot ik in mijn kleren die al drie dagen klaarlagen en zette ik me aan het ontbijt. Ik slikte mijn vitamine D en at met smaak mijn kom cornflakes op. De meisjes, die me niet zoals gewoonlijk in mijn bed hadden aangetroffen, kwamen de eetkamer binnen gestommeld. ‘Ga jij naar een feest mama?’, vroegen ze. ‘Ja.’ antwoordde ik. Ondertussen was N. ook al vertrokken naar zijn werk, niet zonder mij eerst een innige succesknuffel en kus te geven. ‘Het gaat lukken’, fluisterde hij in mijn oor. Ik ben blij dat er nog mensen zijn die er vertrouwen in hebben. Om 7u kwam de mevrouw van de huishoudhulp de ochtendshift verder afwerken. Mama moet gaan werken.

Met een gelukkig, op het randje van euforisch gevoel trok ik de deur achter me toe. Het was dan ook niet zomaar een deur die ik toetrok: het was de metaforische deur van mijn revalidatie na de transplantatie, van mijn hels jaar. Ik had een solo-victoriemomentje toen ik mijn (gemaakte!) auto startte en de files inreed. De tranen rolden over mijn zorgvuldig opgemaakte wangen. Geluk, ontlading, nervositeit, ongeloof, geloof, verwachting, trots: alles was van de partij. Mijn goede humeur was bestand tegen het vuile weer en slechtgezinde maandagmensen. Luidkeels zong ik mee met mijn playlist en aldus baande ik me een weg via de Kennedytunnel en de Craeybeckxtunnel richting mijn school. Je had erbij moeten zijn in de auto, zo’n sfeer heb je nog maar zelden gevoeld. In feite was je erbij, want ik dacht aan iedereen die mij tijdens het afgelopen jaar zo lief en trouw aangemoedigd heeft en aan alle succesberichtjes die ik gekregen had. Ik minderde vaart, ik was zonder noemenswaardige problemen aangekomen, en gedachteloos deed ik mijn raam naar beneden. Pas toen ik op zoek ging naar mijn parkeerkaartje, drong het tot me door waar ik stond. Ik stond voor de bareel van de parking van het UZA! In mijn euforische jubelstemming was mijn automatische piloot naar zijn vertrouwde bestemming gereden, één afslag vroeger dan die van mijn school.

Ondanks deze omweg kwam ik nog ruimschoots op tijd op mijn werkplek aan. Het weerzien met de collega’s was hartverwarmend en oprecht ontroerend. Ik was zelfs zo enthousiast dat ik er sommige heb gekust. De bel ging en in formatie liepen we naar de speelplaats. Ik liep mijn vertrouwde route naar mijn vertrouwd lokaal en daar wachtten de allerliefste leerlingen op mij. Van één klas kreeg ik zelfs een welkomstkaartje. Maar ze hadden me niet gemist, ze stelden geen vragen over mijn haar en waren ook niet per se blij om me terug te zien. Uiteraard niet. Ze kennen me niet. Voor hen ben ik gewoon ineens een nieuwe juf Latijn. Niet meer en niet minder. Ineens stak het me toch dat ze niks wisten van de enorme lijdensweg die ik had doorstaan om terug voor de klas te staan. Dat teleurstellend gevoel had ik niet verwacht en vond ik ook wel een beetje klein van mezelf. Maar soit, ik kan er ook niets aan doen dat ik het liefst met luid applaus en diepe buigingen onthaald word.

Na twee lesuren optreden (want dat is lesgeven wel als je een klas nog niet kent), had ik al de behoefte om even te gaan liggen. Ik was vergeten hoe vermoeiend het is om gestructureerd les te geven, je aandacht gelijk te verdelen over alle leerlingen en dan nog de tijd in het oog te houden. Ik sta niet meer geprogrammeerd op 50 minuten. Daarbij wilde ik ook wel nog wat van mijn natuurlijke charme uitstrooien over mijn nieuwe kindjes. Het was bijwijlen pompen. Bij het woord lesgeven ligt de nadruk duidelijk op het tweede deel van het woord. Ik had mijn energie schromelijk overschat. Bovendien kwamen die stekende zenuwpijnen terug op. Sinds die koortsaanval tieren ze weer welig in mijn volledige linkerzijde van mijn lichaam, met mijn gezicht als pijnlijkste plek. Gelukkig beletten mijn lach en mijn eyeliner dat iemand mijn pijn opmerkte. Ik wilde het nu even niet weten. Ik was dus wel mijn eerste werkdag aan het vieren hé.

De twee lesuren na de speeltijd kostten me meer moeite, maar ik bracht het er toch min of meer goed vanaf en kon mijn eerste schooldag in schoonheid beëindigen. Ik besloot tijdens de middagpauze ook op school te blijven omdat ik nog niet alle collega’s had weergezien. Toen ik eventjes in de chill-outzone (enkele mistroostige bruine wipstoelen bij elkaar) zat te kijken naar de tafels vol etende en vergaderende werkpartners kreeg ik een gevoel van vervreemding. Ik dacht ‘zie iedereen zo zitten, zo druk bezig, over wat? wij zijn allen mieren. Wat stellen wij en onze zorgen voor in het licht van de wereld, de mensheid, het heelal?’. Nadat ik mezelf tot de orde had geroepen en had bedacht dat we weliswaar allen mieren zijn, maar dat ook mieren hun leven moeten leiden, kon ik dat gevoel van afstand niet van me afschudden. Het is alsof ik ergens heel ver en heel diep ben geweest, een plek die onbereikbaar is voor een ander, en nu terugkeer naar mijn oud leven, maar er helemaal anders tegenaan kijk. Zoals een soldaat die terugkeert uit de oorlog en terug moet meedraaien in de gewone wereld. Of zoals Frodo die terugkomt van zijn queeste en zijn plek niet meer vindt tussen de andere Hobbits, die zich nog niet kunnen beginnen voorstellen welke verschrikkingen hij heeft doorstaan. Na enkele minuten pakte soldaat Frodo zich toch tesamen en schoof aan aan het eerste het beste tafeltje en babbelde lustig mee over allerlei banale onderwerpen, zoals het een echte veteraan betaamt. Ik hoop dat zulke existentiële momenten tot het minimum beperkt zullen blijven in de toekomst want hoe verhelderend ook, gelukkig word je er niet van.

In de namiddag had ik een afspraak met de psycholoog, die me onder andere aan het verstand probeerde te brengen dat ik de lat gerust enkele meters lager mocht leggen op allerlei vlakken (en zij weet dan zelfs nog niets van dat secuur geschmink) en daarna kon ik me nog even op de zetel vleien vooraleer de meisjes tegen half 5 met de bus aan de voordeur werden afgezet. Dank u, gemeente Stekene. N. kookte zoals gewoonlijk en tegen half 8 ben ik in de zetel voor de tv in slaap gesukkeld, zoals een echte werkmens.

Dinsdag: met de voetjes op de grond in de lucht

Na die bewogen eerste dag kon ik deze vrije dag in mijn lessenrooster heel hard gebruiken. Liefste dagboek, ik heb niks te melden vandaag, want ik heb niks gedaan. Liggen, slapen, rusten en Friends binge watchen. O ja, en de kindjes klaargemaakt en weggebracht, een uurtje voor school gewerkt en het eten voor ’s avonds klaargezet. Wat ik nu bedoel met ‘een dag niks doen’ was enkele maanden geleden een ‘superdrukke en succesvolle dag’. Alles is relatief. ’s Avonds vroeg in mijn bed want morgen werkendag!

Woensdag: het loopt op rolletjes

6u eruit, schminken, eten, vitamientjes, file, collegaknuffelen, 3 lesuren lesgeven: het begint al te wennen, dat werkleven. Ik voel dat ik het nog kan en hoe vermoeiend het lesgeven ook is, ik haal veel energie uit de leerlingen. Het gevoel van ‘nodig zijn’ doet deugd. Het licht in hun oogjes zien verschijnen wanneer er dankzij mijn uitleg een stuk leerstof begrepen wordt, is een opkikker. Ik slaag erin om deze positieve vibes mee te nemen naar huis. Een heel klein stemmetje, helemaal achteraan in mijn hoofd vraagt zich stilletjes af hoe lang het deze keer weer zal duren, deze opeenvolging van successen. Ik neem een dafalgan en na een kleine misrekening (ik denk niet voor 13u op de school van onze kinderen te geraken – gelukkig is er tante M. to the Rescue) kom ik samen met de meisjes thuis aan voor een namiddag vol van Disneyfilms herontdekken en zoveel mogelijk proberen rusten. Tegen 17 uur houd ik het niet meer uit in de living vol prikkels en kruip ik in mijn bed. De meisjes blijven alleen bij de Leeuwenkoning. Een uurtje later komt N. thuis. Hij laat me liggen en maakt het eten. Ik schuif mee aan tafel, trek mijn nieuwe rijbroek aan en vertrek naar de paarden. Ik zet Odin (het paard in kwestie) op de camion en mijn papa rijdt met me naar de oefening. Mijn broer en zus konden niet komen, dus ik was de enige Van Oost die meereed. Dat we dit nog kunnen meemaken. Die drie kwartier op de paardenrug waren zalig. Mijn lichaam werkte mee, Odin ook. Voor iemand die niks met paarden heeft, is het misschien moeilijk te begrijpen, maar het gevoel dat een paard je kan geven is ronduit helend. Het is gedragen worden door een levend wezen dat tientallen malen sterker is dan jijzelf bent, het draait rond vertrouwen en het gaat voor mij ook over nostalgie. Nostalgie naar een tijd waarin mijn lichaam sterk was, alles nog vanzelf ging en ik geen lyrische gedachten had bij het opstijgen van mijn paard (wat overigens niet vanzelf ging want mijn nieuwe rijbroek spande megahard. Mijn vader heeft me erop moeten duwen). Ik heb duidelijk te vroeg gepiekt in mijn leven. Moe maar voldaan kroop ik in mijn bed. Ja, ik heb eerst nog de paardengeur van me afgedoucht, maar ik kan niet alles vertellen hé liefste dagboek.

Donderdag: overmoed

Ik besefte dat mijn woensdag bij nader inzien toch te actief was geweest, dus ik besliste ook deze vrije dag voornamelijk te rusten. Op mijn vrije dagen heb ik ’s ochtends geen hulp en dat gaat me eigenlijk heel goed af. N. had pijn aan zijn rug, dus ik was zo grootmoedig om de auto af te staan aan hem en heb de kinderen met de fiets naar school gebracht. In de voormiddag heb ik toetsen opgesteld, gepland, mijn lessen voorbereid en om 12u heb ik mezelf bij m’n lurven gepakt en ben ik op de zetel gaan liggen. Ik wilde niet, maar ik moest van mezelf. Om 15u ben ik dan de kinderen terug met de fiets gaan halen, ben met hen langs de bibliotheek gepasseerd en thuis hebben we dan wedstrijdje mandarijntje in één keer pellen gedaan. Ik voelde me nog steeds behoorlijk fris toen N. vroeg thuis kwam, dus ik besloot te checken of er een nog een plaatsje vrij was in de yogales. Ik was wat stijf van het rijden van gisteren. Om 19.15u zat ik op mijn yogamat in Sint-Niklaas. Deugdelijk. Thuis zalig in slaap gevallen. Niet gedoucht.

Vrijdag: uitgeteld

6u uit de veren, ochtendritueel, autorit (ik luister speciaal naar StuBru voor karaoke met een c en begrijp nu pas wat dat is en hoe grappig ik dat gevonden vind en ik schaam me een beetje voor de traagheid van mijn geest. Kan ik het nog op de chemo steken?). Ik moet toegeven dat ik mezelf een beetje oppomp voor deze dag, want op vrijdag doe ik bijna de helft van mijn opdracht (5 van de 12 lesuren), en dit verspreid over de hele dag. Mijn enige officiële zware dag. De eerste drie lesuren gaan vlot. Met twee vingers in de neus, zou ik bijna zeggen. Ik vind het leuk dat ik de leerlingen al wat begin te kennen en dat ik voel dat ze mij ook al wat beginnen kennen. Ik ben dan ook heel wat minder raadselachtig dan het vak dat ik geef. Na die drie lesuren voel ik me leeglopen als een ballon. Zenuwpijn steekt de kop op en mijn energiepeil zakt tot onder het vriespunt. Ik behoud wel mijn goed humeur en besluit mijn origineel plan in uitvoering te brengen. Ik zoek dus de ziektebedjes op en installeer me naast twee leerlingen (er kan een gordijn toegeschoven worden). Ik zet mijn wekker en val prompt in slaap. Ik slaap gulzig, droomloos, diep. Nu een uurtje haalt de wekker van mijn gsm me onzacht uit mijn comateuze toestand. Met veel moeite sta ik op, knoop mijn veters en ga naar de refter waar ik toezicht houd. De pijn is niet te harden. Natuurlijk ben ik mijn dafalgan vergeten. In de refter schud ik grapjes uit mijn mouw en doe ik sociaal met de leerlingen (staat niet in de taakomschrijving, maar ik sta spijtig genoeg wel zo geprogrammeerd) en ik voel me afglijden. Dit wordt vechten. Ik heb na de middagpauze nog een springuur en besluit een cola te gaan halen om een beetje energie te krijgen. Mijn vriendin/collega/dealer van dienst A. schuift me een dafalgan toe. De laatste twee lesuren doe ik op karakter. De leerlingen staan ook wat wilder op vrijdagmiddag, dat is bekend. Ik zet me schrapper dan schrap. Om tien voor vier gaat de bel. Ik wil op de grond gaan liggen en wat wenen. Met hangende schouders schuifel ik naar mijn auto en trotseer ik de lange weg naar huis, alwaar ik liefdevol word opgevangen door N., die staat te blinken van trots en mij zelfs een cadeautje heeft gekocht. Ik krijg er nog een dank u en een overwinningskreet uitgeperst, maar val dan meteen in slaap op de zetel. Om half zeven maakt N. me wakker: ik moet naar de dokter voor het griepvaccin. Ik laat het op een vrijdag zetten, want als ik weer een reactie zou hebben zoals vorige keer, dan kan ik die in het weekend hebben en niet op één van mijn drie werkdagen. Na het spuitje nestel ik me in de zetel, kijk nog een aflevering van Friends (die waarin Rachel bevalt), waarbij ik moet wenen (???) en kruip ten slotte in mijn bed, hopend dat ik geen reactie zal doen op de inspuiting.

Voilà, liefste dagboek, dit was het verslag van mijn eerste werkweek. Ik heb het overleefd. Het was een bijzondere week, een week die in het teken stond van een nieuw begin, maar ook wel van het einde van een vreselijke periode. Ik besef dat ik mijn beide handjes mag kussen dat ik dit allemaal (al) kan, maar ik moet me tegelijk ook intomen om niet te dromen van meer, makkelijker en pijnvrij. De afschuwelijke waarheid is dat ik zal moeten roeien met de riemen die ik heb. De MS is er nog altijd, en helemaal niet zo op de achtergrond als ik had gehoopt. Gelukkig helpt mijn lieve N. me om alles in perspectief te plaatsen. Hij stuurde me maandag een foto door van in februari, met mijn opgeblazen kale kop en een mondmaskertje op in mijn ziekenhuisgevangenis. Hij schreef erbij ‘Zie vanwaar je komt. Ik ben zo trots op u. x’ Dit gevoel wil ik graag vasthouden.

x

Share: